Download fragment als PDF-bestand
Ik weet niet wat erger is. Alleen eten in een restaurant vol stellen, of samen maar dan stilzwijgend. Vroeger keek ik vol afgrijzen naar ze. Een man en een vrouw die elkaar niets meer te vertellen hadden. Hoe ze zich, de ogen van elkaar afgewend, door de maaltijd heen werkten, met de fles wijn als reddingsboei. Dat aura van verveling en wanhoop. Twee mensen gevangen in traditie, comfort en rituelen. Waarom zouden ze nog bij elkaar zitten, als de liefde en de interesse voor elkaar zo overduidelijk waren verdwenen? Ik kon ze er uitpikken, de uitgeblusten. Ik zag de dodelijke, geërgerde blikken, het ontwijken van iedere aanraking, ik hoorde ze spreken over elkaar in de derde persoon, het in de rede vallen en publiekelijk vernederen. Daar ben ik trots op, dat ik de pijn en verlangens van andere mensen feilloos herken. Ik zie ze hunkeren, lijden en stralen. Hun onzekerheid en geheimen zijn niet afgeschermd voor mij, hoezeer ze ook hun best doen. Ik weet het, vaak eerder dan ze het zelf weten
En nu zit ik hier, in het restaurant waar we wekelijks zitten, en ontwijk ik de blikken van mijn zoon Tom en mijn man Rogier. Ik weet dat Rogiers bovenlip glimt van het angstzweet, dat zijn handen licht trillen wanneer hij het glas champagne naar zijn mond brengt, dat zijn ogen heen en weer schieten en dat hij onder tafel zijn voet als een schroef om zijn andere been gedraaid heeft. Zijn uitstraling is besmettelijk. Ook mijn schouders kruipen omhoog richting mijn oren en ik haal nog slechts oppervlakkig adem. Nerveus klamp ik me vast aan mijn glas champagne en ik hoor mezelf doen wat al die desperate, nerveuze vrouwen van mijn leeftijd doen als ze weten dat hun huwelijk een hel geworden is, ik rebbel aan een stuk door over hoe heerlijk we toch bij elkaar zitten, wat een fantastische dag het was, hoe enig datal onze vrienden er waren en dat ik zo blij ben dat Tom mee is, dat ik zo trots op hem ben, zo in pak, dank je lieverd, dat je dat voor je moeder hebt aangetrokken, waarop hij nog meer onderuitzakt en er slechts één woord aan wijdt: boeieh!
Ach Rogier, zeg ik, wat een zalige champagne, als het niet zo slecht voor me was dronk ik dit de hele dag, heb jij je een beetje vermaakt vandaag? En ik weet allang dat hij zich helemaal niet heeft vermaakt, dat het voor hem een confronterende, nare dag was tussen al die collega’s die hem voorzichtig uit de weg gingen en kennissen die zich zorgen om hem maken en dat vooral tegen mij uiten. Hij slaat zijn glas achterover en schenkt meteen weer bij. We toosten, opnieuw, op deze succesvolle dag, een dag om op te toosten, de dag waarop ik mijn eigen kliniek heb geopend, wie had dat ooit gedacht, he schat, twintig jaar geleden? Hij in ieder geval niet. Nee, hij zeker niet.
Stilte. Iedereen let op ons. Ik voel de ogen prikken. Ik ben iemand in dit verdomde gat. De mensen, ze komen naar me toe, altijd, overal. In de supermarkt, hier in ons vaste restaurant, op de sportschool, in het bos wanneer ik de labradors uitlaat, zelfs op vakantie in Toscane of Verbier. Of er iets te doen is aan die fronsrimpel, de hangende borsten, de buik die is uitgelubberd na de bevalling, de kin die zich per jaar terugtrekt, de oren die haaks op het hoofd staan, de neus/mondgroef die hen doet denken aan het afgetobde gezicht van moeder, de sporen van verdriet na een echtscheiding, of ik de sprankeling van jeugd en geluk weer terug in hun ogen kan toveren. En ik kan het, al zal ik daar in het bos, de supermarkt of op de pistes van Verbier nooit te diep op in gaan. Vanaf vandaag kan ik ze mijn kaartje geven.
Dr Mathilde van Asselt-Fortuin
Directeur Eigenaar
Plastisch Chirurg
Privé-kliniek DE DUINHOEVE
De mensen, ze komen graag bij me. Ze sturen me chateau neuf du papes, rozen, blikken kaviaar, La Prairie-pakketten, Percy-jurkjes als dank voor het teruggeven van hun jeugd, het herstellen van een hazenlip bij hun dochter, het verwijderen van een tattoo of een ontsierende moedervlek vol zwarte haren. Ze zijn me dankbaar en ze willen allemaal en als ze eenmaal geweest zijn willen ze nog meer, maar wat ze het allerliefst willen, is mij op mijn bek zien gaan. Privé, bij voorkeur. Want het moet onmogelijk zijn om als vrouw een bloeiend bedrijf te runnen, een getalenteerd specialist te zijn en daarnaast nog een goede moeder en echtgenote. Men vindt het dan ook zielig voor Rogier en Thom. Ware ik een man dan zouden ze bewonderend naar me kijken, en mijn vrouw complimenteren met mijn succes, maar Rogier wordt nooit amicaal op de schouder geslagen en gefeliciteerd met het succes van zijn vrouw. Men heeft met hem te doen. Hij is een man zonder ballen. Die kloten, die bezit ik. En een vrouw met kloten dient gecastreerd te worden.
Zo kijken ze naar ons. Daar aan de bar voorspellen ze met rode konen van opwinding de teloorgang van mijn gezin. Rogier en ik zonder woorden, met een puber die overduidelijk minachting en verveling uitstraalt. Ik maan hem rechtop te gaan zitten en ook wat groente te eten. Maar groente vindt Thom nergens voor nodig en smerig bovendien. Later, na school wil hij bij MacDonalds gaan werken of bij de landmacht, vechten in Afghanistan. Jaren hebben we geïnvesteerd in zijn ontwikkeling. Hem op de beste school gedaan, vanaf zijn vierde bij de hockey, op vioolles, daarna cello, de hele winter skiles, zomers op zeilkamp, hij heeft alles aangereikt gekregen en nu wil hij uitsluitend naar hardcore luisteren en verbergt hij zijn gezicht in een Feijenoord -shawl. Zijn prachtige kastanjebruine krullen liet hij afscheren en hij rookt Javaanse Jongens. Volgens Rogier is dit allemaal volstrekt normaal. De jongen zet zich af tegen alles wat wij vertegenwoordigen en dat gaat vanzelf over. Ik moet hem met rust laten, zegt Rogier, maar daar ben ik niet goed in, in met rust laten. Als ik daar goed in was, had ik het niet zover geschopt. Ik geloof erin dat je je eigen leven vormgeeft. Dat je alles kunt bereiken als je je er maar voor inzet. Ik zelf ben daar het levende bewijs van. Het lukt me alleen niet dit ook voor Rogier en Thom te doen, hoe hard ik er ook voor vecht.
Rogier duwt zijn bord van zich af. Hij heeft nauwelijks drie happen van zijn slibtongetjes gegeten. Zijn rechterhand fladdert door zijn dunne, grijzende haren. ‘Gaat het niet?’ vraag ik, zo meelevend mogelijk.
Thom zucht. ‘Pa, wat zit je je weer mega aan te stellen.’
Ik haal diep adem en leg mijn hand op de klamme hand van Rogier. Hij trekt hem terug en schudt zijn hoofd. Even durf ik in zijn ogen te kijken. Ogen vol angst. Onbegrijpelijke, allesvernietigende angst. Ik kan er niet bij. Het ergert me zo hevig dat ik mijn blik snel afwend. De man, met wie ik zestien jaar getrouwd ben, mijn man, die alles heeft wat een man zich kan wensen, is in twee jaar tijd veranderd in een wrak. Een bevende, neurotische schim van zichzelf. Overspannen, burn out, depressief. Jarenlang hard werken eist zijn tol, zei de psychiater die hem behandelt. En ik dan? Wilde ik hem toeschreeuwen. Ik heb toch ook jarenlang keihard gewerkt? En een zoon opgevoed en verzorgd? Ik ben toch degene die alles op de schouders draagt? Ik ben bezig met mijn eigen bedrijf, ons huis ligt in puin vanwege de verbouwing, ik heb mijn beide ouders verloren in nog geen half jaar tijd! Hoe denkt u dat ik datallemaal moet organiseren?
De psychiater raadde me aan vooral mijn eigen leven te blijven leiden. Af en toe een moment voor mezelf te nemen. Er lekker even tussenuit met een goede vriendin. Ik moest er voor zorgen dat Rogiers depressie niet ook de mijne werd.
De mensen, ze weten niet waar ze het over hebben, ook psychiaters niet. Ik heb personeel, dataan het werk gehouden moet worden. Ons huis is een ruïne, daar zal toch ook echt iemand bovenop moeten zitten, anders komt het nooit klaar. Een zoon die schreeuwt om structuur en een man die huilend door het huis dwaalt. Goede vriendinnen heb ik niet, een fijne familie evenmin en er even tussen uit, hoe dan? Laat ik Thom achter bij een bevend hoopje vader?
‘Het is belangrijk dat u niet ook instort. Dat zie je vaak bij depressies, dat ook de partner op een gegeven moment depressief wordt…’
Ik heb hem gezegd dat dit nooit zal gebeuren. Was ik daar gevoelig voor, dan was ik datallang. Ik kan alles aan. Dat is mijn geluk, maar ook mijn grote pech.
Maar goed, hier zitten we dus aan de champagne. Rogier wil weg, het zweet breekt hem uit. Thom wil hier niet eens zijn en grijpt de gelegenheid om al sms-end zijn jas aan te trekken. Het is mijn grote dag. Maar er is geen ruimte voor mijn trots.
‘Ga maar,’ zeg ik. ‘Ik blijf.’
‘Ja hoor, in je eentje?’ Thom rolt met zijn ogen en zoekt steun bij zijn vader.
‘Er is nog champagne. Ik heb wat te vieren. Desnoods in mijn eentje.’
‘Til, kom nou mee, dan drinken we thuis nog wat… ik kan er nu niet tegen, al die mensen, die drukte hier. Dat is me nog net even teveel. Ik heb de hele middag naast je gestaan op de receptie, maar nu ben ik op. Kom gezellig mee, nog even samen, in alle rust…’
Het idee alleen al. Met hem in die koude, tochtige, stoffige bouwval praten over hoe moeilijk het voor hém was vandaag. Dan liever alleen, desnoods hier aan de bar. Dan kijken de mensen maar.